Information du mot opgeven (néerlandais → espéranto: diri)

Prononciation/ˈɔpxevə(n)/
Césureop·ge·ven
Parti du discoursverbe

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) geef op(ik) gaf op
(jij) geeft op(jij) gaf op
(hij) geeft op(hij) gaf op
(wij) geven op(wij) gaven op
(gij) geeft op(gij) gaaft op
(zij) geven op(zij) gaven op
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) opgeve(dat ik) opgave
(dat jij) opgeve(dat jij) opgave
(dat hij) opgeve(dat hij) opgave
(dat wij) opgeven(dat wij) opgaven
(dat gij) opgevet(dat gij) opgavet
(dat zij) opgeven(dat zij) opgaven
Impératif
Singulier/PlurielPluriel
geef opgeeft op
Participes
Participe présentParticipe passé
opgevend, opgevende(hebben) opgegeven

Exemples d’usage

Ze gaven hun namen op.
Nee, het is de reden die hij opgaf!

Traductions

afrikaans
allemandäußern; sagen
anglaisstate
anglais (vieil anglais)cweþan; gesecgan
catalandir
danoissige
espagnoldecir
espérantodiri
féringiensiga
finnoissanoa
françaisdire
frison occidentalsizze
frison saterlandärwääne; kweede; tälle
gaélique écossaisabair; can
hongroismond; szól
islandaissegja
italiendire
latindicere
malaiskata; berkata; cakap; tutur; ucap
norvégiensi
papiamentobisa
polonaispowiedzieć; mówić
portugaisdizer; proferir
roumainspune
russeговорить; сказать
souahéli‐sema; ‐ambia
sranantaki; taygi
suédoissäga
tchèquepovědět; povídat; říci; říkat
thaïกล่าว; บอก; ว่า; พูด
turcdemek; söylemek
yidicheזאָגן