Informatie over het woord abprallen (Duits → Esperanto: resalti)

Uitspraak/ˈappralən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) abpralle (ich) abprallte
(du) abprallst (du) abpralltest
(er) abprallt (er) abprallte
(wir) abprallen (wir) abprallten
(ihr) abprallt (ihr) abpralltet
(sie) abprallen (sie) abprallten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) abpralle (ich) abprallte
(du) abprallest (du) abpralltest
(er) abpralle (er) abprallte
(wir) abprallen (wir) abprallten
(ihr) abprallet (ihr) abpralltet
(sie) abprallen (sie) abprallten
Gebiedende wijs
(du) pralle ab
(ihr) abprallt
abprallen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
abprallend(sein) abgeprallt

Vertalingen

Afrikaansafstuit; stuit
Engelsricochet
Esperantoresalti
Fransrebondir
Nederlandsaanslaan; afstuiten; opspringen; stuiten; terugspringen; afketsen
Saterfriesstoitje
Westerlauwers Friesôfstuitsje
Zweedsstudsa