Information about the word besturen (Dutch → Esperanto: direkti)

Pronunciation/bəˈstyːrə(n)/
Hyphenationbe·stu·ren
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) bestuur(ik) bestuurde
(jij) bestuurt(jij) bestuurde
(hij) bestuurt(hij) bestuurde
(wij) besturen(wij) bestuurden
(gij) bestuurt(gij) bestuurdet
(zij) besturen(zij) bestuurden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) besture(dat ik) bestuurde
(dat jij) besture(dat jij) bestuurde
(dat hij) besture(dat hij) bestuurde
(dat wij) besturen(dat wij) bestuurden
(dat gij) besturet(dat gij) bestuurdet
(dat zij) besturen(dat zij) bestuurden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
bestuurbestuurt
Participles
Present participlePast participle
besturend, besturende(hebben) bestuurd

Translations

Afrikaansbestuur; rig
Catalandirigir
Czechřídit
Danishstyrre
Englishconduct; direct; drive; guide; manage; steer
Esperantodirekti
Faeroeseráða; stjórna
Finnishsuunnata
Frenchdiriger
Germandirigieren; führen; leiten; lenken; richten; steuern
Hungarianirányít
Papiamentostür
Portuguesedirigir; encaminhar; gerir; governar; guiar
Romaniandirecționa; ghida
Saterland Frisiandirigierje; fiere; gjuchte; stjuure
Spanishdirigir
West Frisianoanstjoere