Informatie over het woord schenden (Nederlands → Esperanto: difekti)

Uitspraak/sxɛndə(n)/
Afbrekingschen·den
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schend(ik) schond
(jij) schendt(jij) schond
(hij) schendt(hij) schond
(wij) schenden(wij) schonden
(gij) schendt(gij) schondt
(zij) schenden(zij) schonden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) schende(dat ik) schonde
(dat jij) schende(dat jij) schonde
(dat hij) schende(dat hij) schonde
(dat wij) schenden(dat wij) schonden
(dat gij) schendet(dat gij) schondet
(dat zij) schenden(dat zij) schonden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schendschendt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schendend, schendende(hebben) geschonden

Vertalingen

Afrikaansbederf; beskadig
Catalaansdeteriorar; espatllar; fer malbé; perjudicar
Deensbeskadige
Duitsbeeinträchtigen; beschädigen; schaden; Schaden zufügen; verderben; verletzen
Engelsdamage; mutilate
Engels (Oudengels)wyrdan
Esperantodifekti
Faeröersoyðileggja; spilla
Finspilata
Fransabîmer; détériorer
Hongaarsmegrongál; rongál
Italiaansdanneggiare
Portugeesarruinar; avariar; danificar; deteriorar; estragar
Saterfriesbeschäädigje; beseerje; beskäädigje; ferdierwe
Spaansechar a perder; estropear
Westerlauwers Friesskansearje; bedjerre; skeine