Informatie over het woord stoßen (Duits → Esperanto: puŝi)

Uitspraak/ˈʃtoːsən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) stoße(ich) stieß
(du) stößt(du) stießest, stießt
(er) stößt(er) stieß
(wir) stoßen(wir) stießen
(ihr) stoßt(ihr) stießt
(sie) stoßen(sie) stießen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) stoße(ich) stieße
(du) stoßest(du) stießest
(er) stoße(er) stieße
(wir) stoßen(wir) stießen
(ihr) stoßet(ihr) stießet
(sie) stoßen(sie) stießen
Gebiedende wijs
(du) stoße
(ihr) stoßt
stoßen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
stoßend(haben) gestoßen

Vertalingen

Catalaansempènyer
Deensstøde
Engelspush; thrust; poke
Engels (Oudengels)scufan
Esperantopuŝi
Faeröersfíra; trýsta
Finstyöntää
Franspousser
Hawaiaanspahu
Italiaansspingere
Jiddischשטופּן
Latijnpellere
Maleisdorong … mendorong; desak … mendesak; dorong; mendorong; tolak
Nederlandsdouwen; dringen; duwen
Noorsdytte; skyve
Papiamentspusha; stot
Poolspchać
Portugeesempurrar; impelir
Roemeensapăsa; împinge
Russischпихать; толкать
Saterfriesdrieuwe; rukje; steete; tringe
Schots-Gaelischbrùth
Spaansempujar
Srananpusu
Thaisจิ้ม; ผลัก; ดัน
Tsjechischtlačit
Westerlauwers Friesdúste; stjitte; triuwe; kringe
Zweedspuffa; stöta