Informatie over het woord afschuiven (Nederlands → Esperanto: deŝovi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɑfsxœʏ̯və(n)/
Afbrekingaf·schui·ven

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schuif af(ik) schoof af
(jij) schuift af(jij) schoof af
(hij) schuift af(hij) schoof af
(wij) schuiven af(wij) schoven af
(gij) schuift af(gij) schooft af
(zij) schuiven af(zij) schoven af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afschuive(dat ik) afschove
(dat jij) afschuive(dat jij) afschove
(dat hij) afschuive(dat hij) afschove
(dat wij) afschuiven(dat wij) afschoven
(dat gij) afschuivet(dat gij) afschovet
(dat zij) afschuiven(dat zij) afschoven
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schuif afschuift af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afschuivend, afschuivende(hebben) afgeschoven

Vertalingen

Afrikaansafskuiwe
Esperantodeŝovi
Portugeesafastar empurrando