Informatie over het woord nehmen (Duits → Esperanto: preni)

Uitspraak/ˈneːmən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) nehme(ich) nahm
(du) nimmst(du) nahmst
(er) nimmt(er) nahm
(wir) nehmen(wir) nahmen
(ihr) nehmt(ihr) nahmt
(sie) nehmen(sie) nahmen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) nehme(ich) nähme
(du) nehmest(du) nähmest
(er) nehme(er) nähme
(wir) nehmen(wir) nähmen
(ihr) nehmet(ihr) nähmet
(sie) nehmen(sie) nähmen
Gebiedende wijs
(du) nimm
(ihr) nehmt
nehmen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
nehmend(haben) genommen

Voorbeelden van gebruik

Tom nahm das Notizbuch.

Vertalingen

Afrikaanshaal; neem; oppik; vat
Catalaansagafar; prendre
Deensgribe; tage; tage op
Engelstake
Esperantopreni
Faeröerstaka
Finsottaa
Fransprendre
Grieks (Oudgrieks)αἱρέω
Hongaarsvesz
Italiaansacchiappare; prendere
Latijncapere
Maleisambil
Nederlandsaanvatten; aanzien; nemen; oprapen; pakken; vatten
Noorsta
Papiamentstuma
Poolsbrać; wziąć
Portugeespegar; tirar; tomar
Roemeenslua
Russischбрать; взять
Saterfriesfoatje; nieme; pakje
Schots-Gaelischgabh; thoir
Spaanscoger; asir; tomar
Srananteki
Thaisเอา
Tsjechischbráti
Turksalmak
Westerlauwers Friesnimme
Zweedsfatta; ta; taga