Informatie over het woord afzetten (Nederlands → Esperanto: demeti)

Uitspraak/ɑfsɛtə(n)/
Afbrekingaf·zet·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) zet af(ik) zette af
(jij) zet af(jij) zette af
(hij) zet af(hij) zette af
(wij) zetten af(wij) zetten af
(gij) zet af(gij) zettet af
(zij) zetten af(zij) zetten af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afzette(dat ik) afzette
(dat jij) afzette(dat jij) afzette
(dat hij) afzette(dat hij) afzette
(dat wij) afzetten(dat wij) afzetten
(dat gij) afzettet(dat gij) afzettet
(dat zij) afzetten(dat zij) afzetten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
zet afzet af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afzettend, afzettende(hebben) afgezet

Voorbeelden van gebruik

Hij kwam dichterbij, zette zijn hoedje af en luisterde aandachtig.

Vertalingen

Afrikaansafhaal; afsit; uittrek
Albaneesheq
Catalaanstreure
Duitsausziehen; zurücklegen
Engelsput down; put off; take off
Esperantodemeti
Faeröersleggja frá sær
Fransenlever
Italiaanstogliere
Papiamentskita
Poolszdjąć
Portugeesdepor; tirar
Saterfriesferschuuwe; ferskuuwe; touräächlääse
Spaansquitar; sacar
Westerlauwers Friesôfdwaan; ôflizze; ôfsette