Informatie over het woord toren (Nederlands → Esperanto: turo)

Uitspraak/ˈtorə(n)/
Afbrekingto·ren
Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachtmanlijk
Meervoudtorens

Verkleinwoord
EnkelvoudMeervoud
torentjetorentjes

Voorbeelden van gebruik

In plaats daarvan had hij een van de torens beklommen en daar stond hij nu mijmerend naar de zonsondergang te staren.
Volgt u mij maar naar de toren.
Dit zijn de koninklijke torens niet!
Ze wachtte in haar hoge toren.

Vertalingen

Afrikaanstoring
Albaneeskullë
Catalaanstorre
Deenstårn
DuitsTurm
Engelsrook; tower
Esperantoturo
Faeröerstorn
Finstorni
Franstour
Grieksπύργος
Italiaanstorre
Latijnturris
Noorstårn
Portugeesroque; torre
Roemeensturn
Russischбашня
SaterfriesTouden; Twinger
Spaanstorre
Tsjechischvěž
Turksburç
Westerlauwers Friestoer
Zweedstorn