Informatie over het woord pijp (Nederlands → Esperanto: tubo)

Uitspraak/pɛɪ̯p/
Afbrekingpijp
Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachthistorisch vrouwelijk, tegenwoordig ook manlijk
Meervoudpijpen

Verkleinwoord
EnkelvoudMeervoud
pijpjepijpjes

Vertalingen

Afrikaansbuis
Catalaanstub
Deensrør
DuitsRohr; Röhre; Schlauch
Engelspipe; tube
Esperantotubo
Faeröersrør; slanga
Finsputki
Franstube; tuyau
Italiaanscondotto
Latijncanalis; fistula
Noorsrør
Papiamentspipa
Portugeescano; canudo; tubo
SaterfriesPiepe; Roor; Ruur; Slauch
Spaanscañón; tubo
Thaisท่อ; กล้อง
Tsjechischhadice; trubice
Turksboru
Westerlauwers Friesbuis; piip
Zweedsrör