Informatie over het woord ausführen (Duits → Esperanto: plenumi)

Uitspraak/ˈaʊsfyːrən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) führe aus(ich) führte aus
(du) führst aus(du) führtest aus
(er) führt aus(er) führte aus
(wir) führen aus(wir) führten aus
(ihr) führt aus(ihr) führtet aus
(sie) führen aus(sie) führten aus
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) führe aus(ich) führte aus
(du) führest aus(du) führtest aus
(er) führe aus(er) führte aus
(wir) führen aus(wir) führten aus
(ihr) führet aus(ihr) führtet aus
(sie) führen aus(sie) führten aus
Gebiedende wijs
(du) führe aus
(ihr) führt aus
führen Sie aus
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
ausführend(haben) ausgeführt

Voorbeelden van gebruik

Sie sind dann gezwungen, seine Befehle auszuführen.

Vertalingen

Afrikaansbedryf; bedrywe; begaan
Catalaansacomplir; portar a cap; realitzar
Engelsexecute; exercise; perform
Engels (Oudengels)gefyllan
Esperantoplenumi
Faeröersfullføra
Fransaccomplir; assurer; réaliser; remplir
Hongaarsteljesít
Italiaanscompiere; eseguire
Nederlandsinlossen; nakomen; naleven; opknappen; uitvoeren; verrichten; vervullen; voltrekken; zich kwijten van; zich houden aan
Papiamentskumpli
Poolsspełnić; wykonać
Portugeescumprir; desempenhar
Russischвыполнять
Saterfriesärfulje; bestaale; laistje; uutfiere
Spaanscumplir; ejecutar; llevar a cabo