Informatie over het woord declareren (Nederlands → Esperanto: deklari)

Uitspraak/deklaˈrerə(n)/
Afbrekingde·cla·re·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) declareer(ik) declareerde
(jij) declareert(jij) declareerde
(hij) declareert(hij) declareerde
(wij) declareren(wij) declareerden
(gij) declareert(gij) declareerdet
(zij) declareren(zij) declareerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) declarere(dat ik) declareerde
(dat jij) declarere(dat jij) declareerde
(dat hij) declarere(dat hij) declareerde
(dat wij) declareren(dat wij) declareerden
(dat gij) declareret(dat gij) declareerdet
(dat zij) declareren(dat zij) declareerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
declareerdeclareert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
declarerend, declarerende(hebben) gedeclareerd

Vertalingen

Afrikaansverklaar
Catalaansdeclarar
Deenserklære
Duitsansagen; anzeigen; deklarieren; erklären; melden; verkünden; verzollen
Engelsdeclare
Esperantodeklari
Fransdéclarer
Grieksαγγέλω
Hongaarsdeklarál; nyilvánít
Papiamentsdeklará
Portugeesdeclarar; declinar; depor
Saterfriesdeklarierje; fääststaale; konstatierje
Spaansdeclarar
Zweedsbetyga; förklara