Information about the word betuigen (Dutch → Esperanto: deklari)

Pronunciation/bəˈtœʏ̯ɣə(n)/
Hyphenationbe·tui·gen
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) betuig(ik) betuigde
(jij) betuigt(jij) betuigde
(hij) betuigt(hij) betuigde
(wij) betuigen(wij) betuigden
(gij) betuigt(gij) betuigdet
(zij) betuigen(zij) betuigden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) betuige(dat ik) betuigde
(dat jij) betuige(dat jij) betuigde
(dat hij) betuige(dat hij) betuigde
(dat wij) betuigen(dat wij) betuigden
(dat gij) betuiget(dat gij) betuigdet
(dat zij) betuigen(dat zij) betuigden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
betuigbetuigt
Participles
Present participlePast participle
betuigend, betuigende(hebben) betuigd

Translations

Afrikaansverklaar
Catalandeclarar
Danisherklære
Englishprofess
Esperantodeklari
Frenchdéclarer
Germanansagen; anzeigen; deklarieren; erklären; melden; verkünden; verzollen
Greekαγγέλω
Hungariandeklarál; nyilvánít
Papiamentodeklará
Portuguesedeclarar; declinar; depor
Saterland Frisiandeklarierje; fääststaale; konstatierje
Spanishdeclarar
Swedishbetyga; förklara