Informatie over het woord deppen (Nederlands → Esperanto: dabi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈdɛpə(n)/
Afbrekingdep·pen

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) dep(ik) depte
(jij) dept(jij) depte
(hij) dept(hij) depte
(wij) deppen(wij) depten
(gij) dept(gij) deptet
(zij) deppen(zij) depten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) deppe(dat ik) depte
(dat jij) deppe(dat jij) depte
(dat hij) deppe(dat hij) depte
(dat wij) deppen(dat wij) depten
(dat gij) deppet(dat gij) deptet
(dat zij) deppen(dat zij) depten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
depdept
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
deppend, deppende(hebben) gedept

Voorbeelden van gebruik

Dep de vis droog en snijd deze in blokjes of repen.

Vertalingen

Duitsabtupfen; betupfen
Engelsdab
Esperantodabi
Spaansmojar