Informatie over het woord pijp (Nederlands → Esperanto: pipo)

Woordsoortzelfstandig naamwoord
Uitspraak/pɛɪ̯p/
Afbrekingpijp
Geslachthistorisch vrouwelijk, tegenwoordig ook manlijk
Meervoudpijpen

Verkleinwoord
EnkelvoudMeervoud
pijpjepijpjes

Voorbeelden van gebruik

Hij zat in zijn gemakkelijke stoel en rookte zijn pijp terwijl hij een goed boek las.
Hij ging weer naar Thomas terug die, een korte pijp rokend, in het vuur zat te staren.
Is er geen pijp bij jullie buit?

Vertalingen

Afrikaanspyp
Catalaanspipa
Deenspibe
DuitsPfeife
Engelspipe
Esperantopipo
Faeröerspípa
Finspiippu
Franspipe
Maleispipa; paip
Papiamentspipa
Portugeescachimbo
SaterfriesBröäsel; Döäfke; Piepe
Schots-Gaelischpìob
Spaanspipa
Srananpipa
Swahilikiko
Thaisกล้องสูบยา; กล้องยาเส้น
Tsjechischdýmka; fajfka
Welspib
Westerlauwers Friespiip
Zweedspipa