Informatie over het woord verzekeren (Nederlands → Esperanto: certigi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/vərˈzekərə(n)/
Afbrekingver·ze·ke·ren

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) verzeker(ik) verzekerde
(jij) verzekert(jij) verzekerde
(hij) verzekert(hij) verzekerde
(wij) verzekeren(wij) verzekerden
(gij) verzekert(gij) verzekerdet
(zij) verzekeren(zij) verzekerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) verzekere(dat ik) verzekerde
(dat jij) verzekere(dat jij) verzekerde
(dat hij) verzekere(dat hij) verzekerde
(dat wij) verzekeren(dat wij) verzekerden
(dat gij) verzekeret(dat gij) verzekerdet
(dat zij) verzekeren(dat zij) verzekerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
verzekerverzekert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
verzekerend, verzekerende(hebben) verzekerd

Vertalingen

Afrikaansseker maak; sertifiseer; verseker
Deensforsikre
Duitsbehaupten; bekräftigen; bestätigen; beteuern; sicherstellen; vergewissern; versichern; zusichern
Engelsaffirm; assure; certify; ensure
Esperantocertigi
Faeröersleggja dýran við; vissa um
Fransassurer; certifier; garantir
Italiaansassicurare
Papiamentssigurá
Portugeesafirmar; assegurar; confirmar
Saterfriesbehauptje; bestäätigje; bestäätigje; bewisje; bewisje; foar weer fertälle
Spaansafirmar; asegurar
Tsjechischzabezpečit; zajistit
Westerlauwers Friesfersekerje; ferwisje
Zweedsbetrygga