Informatie over het woord koppel (Nederlands → Esperanto: paro)

Woordsoortzelfstandig naamwoord
Uitspraak/ˈkɔpəl/
Afbrekingkop·pel

Voorbeelden van gebruik

Toen ze nog een koppel waren, had Tine haar daar meermaals voor gewaarschuwd.
We vormen een volmaakt koppel.
Na de verkrachting bedreigde het koppel de tiener met de dood als ze iets zou zeggen over het incident.

Vertalingen

Catalaansparell; parella
DuitsPaar
Engelscouple
Esperantoparo
Faeröerspar
Finspari
Franscouple; paire
Hongaarspár
IJslandspar
Noorspar
Papiamentspar
Poolspara
Portugeescasal; par; parelha
Spaanspar; pareja
Thaisคู่
Westerlauwers Friespear; twatal
Zweedsduo; par